Fietsen naar Santiago de Compostela – 19e etappe

Navarrete, 21 september 2024, 20.00pm

Een gezellige huiskamer/-keuken in deze albergue. Naast me een Engelse moeder met dochter. Dochter heeft zich gisteren in laten vliegen om haar moeder een weekje te begeleiden, nee ik bedoel vergezellen. Moeder doet de hele Camino Fransès. Ze heeft een leefbudget van 40 euro per dag, want eigenlijk doet ze deze hele camino voor sponsoring van een soort voedselbank in de buurt van Leeds.
’t Is ook best een gezellige ‘dorm’ hier, met veel jonge meiden en een klein gezinnetje uit Denemarken, zoon van 12 jaar erbij. Ze hadden ’t even heel bont bij elkaar. Zoon van 12 raakte onderweg z’n telefoon kwijt en kort daarna zaten zij zelf in de gigantische regen-, hagel- en onweersbui, die ik nét voor was.

Ik dacht gisteren dus, dat vandaag een rustige, korte fietsdag zou worden, vooral omdat er giga-veel regen zou gaan vallen. Gisteren ging ’t nog over 32 millimeter, maar toen ik vanmorgen wakker werd, regende het pijpenstelen en keek ik op Buienradar: 38 millimeter! Mijn hemel!

Maar in een uurtje is zomaar alles anders. De regen stopte zowaar en ik twijfelde niet: nu maar gauw die fiets op. Alles weer ingepakt. In de albergue zijn tientallen pelgrims hun eigen voorbereidingen aan het treffen.
Oja, nog even over de nacht. Hier geen snurksymfonie, maar gewoon één gigantisch hard snurkende man in een slaapzaal waarin verder iedereen stil ligt te slapen. Ik had er overigens totaal geen last van en ik heb werkelijk héérlijk geslapen.
De pelgrims gooien allemaal ook een poncho over zich heen, ook over de rugzak heen. En zo lijken ze allemaal op de hunchbacks van de Notre Dame. Wat een wereld is dit toch!

OK, zo fiets ik Estella weer uit. De eerste beklimming begint al in ’t stadje, een handvol kilometers lang. Zo ben ik direct warm. Het is dan wel droog, dat wil nog niet zeggen, dat ’t mooi weer is. Nee, ’t is mistig, druilerig, bepaald ongezellig weer. Een paar kilometer buiten de stad een monasterio die zelfs als Werelderfgoed wordt erkend, doch lelijk verscholen ligt achter een enorme ‘bodega’. Mooi woord, maar op deze plek staat ’t gewoon voor wijnfabriek.

Ik klim en daal en klim en daal tot ik 20 kilometer verder bij Los Arcos ben. Een stadje met een mooi stadspoortje, een mooie basiliek én een fijn panaderiaatje voor een koffie en een paar broodjes.
Daarna de volgende 15 kilometer meer van ’t zelfde, maar gelukkig droog en lekker fietsen, soms als een slak, soms als een speer, en zo kom ik uit in een bijzonder vestingstadje: Viana. Mooie oude stadswallen en door de oude kleine stadspoort ben je direct in de nauwe donkere straatjes, hoge huizen. Even verder opklimmen en daar is een stadsplein met een idioot grote kerk en stadhuis. 

Allemaal kleine terrasjes, waar de lokale bevolking aan de klets is met elkaar, staand aan sta-tafeltjes. 

In de kerk haal ik nog even een stempel op en vraag aan de dame, waar het beeld van Santiago is. Volgens het boek moest er een beeld van de goede man in de kerk zijn. 

Maar de dame verontschuldigt zich. Ik werk hier nog maar kort, ik weet ’t eigenlijk niet, dat zegt ze dus.

Nou ja, ik weer een cappuccino en een lekker broodje met ei, nog een paar straatjes besnuffelen en dan gauw die laatste 10 kilometer naar Logrono, voor het afsluiten van deze korte fietsdag.

In Logrono ga ik over de brug over de Ebro en ben direct in ’t oude centrum. Direct passeer ik twee albergues. Ik denk bij mezelf: ik ga nog even in ’t centrum wat drinken en dan goed bekijken, welke albergue het beste lijkt. Had ik dat maar niet gedaan!!!

Even later val ik pardoes in ’t feest. Het is de jaarlijkse feestdag in Logrono en je wilt niet weten, hoe gigantisch druk het was in de stad! Ik viel er patsboem in. Geen gezicht, ik met m’n bepakte fiets, m’n helm op in straatjes waar domweg niet door te komen was, iedereen aan de wijn en aan de hapjes, overal komt muziek vandaan. Daar komt een fanfareorkest om de hoek, kan ik ook niet meer oversteken. Hellup!

En dan rijd ik toch maar weer terug, met veel hangen en wurgen, naar één van die eerste albergue-adressen, kom een fietser tegen, uit Duitsland, die ik ook gisteren in Estella zag en sprak en we melden ons bij de albergue en zien tot onze grote schrik, dat er een giga-wachtrij staat! We sluiten een kwartiertje aan, onzeker of we ’t wel gaan redden, en zien dan een ouder mannetje de koppen tellen en aanwijzen tot waar/wie er nog bij kan. Wij stonden daar nog een stukje achter. Shitterdeshit.
Honderd meter verder is een andere albergue en daar horen we resoluut: we zijn vol!
En ik skip maar even wat er ’t navolgende half uur gebeurde… Nog meer van dit soort shit, en het je realiseren, dat er momenten zijn geweest, waarin je gewoon had kunnen doorpakken, maar ’t nét niet hebt gedaan en dan het deksel op je neus te vinden….
Uiteindelijk weer zo’n wachtrij. De Duitser durfde het aan, hij wilde ook graag nog wat van ’t stadsfeest meepikken. Ik zit mezelf af te vragen: heb ik wel zin in zo’n “Koningsdag”-achtige toestand? Nee, eigenlijk heb ik daar totaal geen zin in.

En zo neem ik afscheid van de Duitser en stap op de fiets, dat was een heel korte Logrono-visite; er toch nog maar weer eens heen met ’t campertje of zo.

Doel nu: Navarrete, nog zo’n 15 kilometer verder. Die kilometers gaan mooi weer van de kilometers van morgen af, denk ik bij mezelf. En ’t is potdorie eigenlijk best lekker weer geworden; zelfs de zon komt er zo nu en dan doorheen.

Het stuk tussen Logrono en Navarrete is heel anders. Een flink stuk rijd ik over het pelgrimspad van de wandelaars, halfverhard. En daarna een stuk enorm steil stijgend, tot wel 13 procent. (Ook vandaag weer een flinke aantal hoogtemeters: meer dan 900!)

Als Navarrete nog maar een kilometer of vijf fietsen is, zie ik een zware lucht aan de andere kant. Oeps, nog maar even opschieten, want anders word ik nog kleddernat!
En zo fiets ik Navarrete in. Weer zo’n klein oud stadje met hoge wallen, de grote kerk op de top in het hart van de oude stad. De eerste albergue waar ik aan kom waaien – ik was er totaal niet ongerust op, dit is tenslotte gewoon een klein stadje – geeft aan: we zijn vol! Helaas. Honderd meter verder is er nog eentje. Godver, ook vol!
Overigens een redeneerfout van jewelste: ál die wandelaars moeten ook overnachten in kleine stadjes. Nu zullen er in grote steden heus meer albergues zijn, maar kleine stadjes moeten er ook veel kunnen herbergen.
En dan word ik verwezen naar nog een andere optie, daar en daar een hoekje om en dan zie je ’t wel. Ik zet m’n fiets neer, klim twee trappen op naar een receptie en daar is een meisje, dat me verlost: meneer, we hebben nog één allerlaatste bed voor u! U boft!

Oeioeioei!! Het is gelukt!
Tien minuten later sta ik in ’t kleine slaapzaaltje gezellig te kletsen met de wandelaars met hun zere voeten en… barst me er buiten toch een noodweer los!!
Goed, heerlijk gedoucht, biertje gedronken, bijgekomen. Heerlijk allemaal. Het is een gekke dag geweest, maar alles op z’n pootjes.

In een restaurantje heb ik het peregrino-menu weer verorberd. Het is OK, niks bijzonders.
Gisteren trouwens ook nog m’n reisschema voor de rest van het traject geschetst. Zo zou ik op 30 september aankomen in Santiago. Ik zie mezelf geen rustdagen nemen, maar het kan en mag natuurlijk wel. Het is niet zo dat ik haast heb, maar ja: in de staat waarin ik verkeer geldt gewoon: ik wil eigenlijk iedere dag wel fietsen.