Sarria, 28 september 2024, 21.40pm
Best een gezellige slaapzaal hier, in Sarria. In het midden een soort bartafel, waar nog een paar mensen ook wat media of communicatie checken. In de stapelbedden al de nodige mensen, waarvan er sommige al slapen of rusten. We hebben met z’n drieën gegeten in ’t zaaltje onder de oude balken, een verdieping hoger. Luca heeft een lekkere pasta gemaakt voor mij en Wolfgang. En voor hemzelf natuurlijk.
God, wat is alles toch op z’n pootjes terechtgekomen na die rare dag van gisteren. Bijzonder dat ik toch nog best aardig geslapen heb, vol van onrust over hoe ’t vandaag zou gaan. Want vooreerst stond voor vanmorgen vroeg uit om uit te zoeken, hoe ’t met die fiets weer in orde zou kunnen komen.
Natuurlijk heb ik van iedereen altijd de minste slaap nodig. En… nog niémand heeft over mijn snurken geklaagd; zelfs na navraag hoor ik alleen maar wegwuifgeluiden.
Om half zeven had ik de boel bij elkaar in de eetkeuken, vooral met aandacht voor de buitenband: waar, in hemelsnaam, zit het doorntje (or whatever) dat nu twee binnenbanden heeft lek geprikt?!
Het werd er niet beter op, want… ik heb verdorie een half uur getuurd, gesnuffeld en gevoeld en… niks gevonden. Die buitenband is ‘solid’, niks mee aan de hand. Maar ja, hoe klein kan een doorntje zijn? De binnenband moest ik toch ook nog van een nieuw plakkertje voorzien, want daar liep nog lucht uit.
Zo was ik een uurtje aan de gang met mezelf, het huis nog in stilte, afgezien van wat vertrekkende camino-wandelaars. Dit is trouwens by far de ongezelligste albergue van allemaal.
Totaal niks is hier, geen sfeer, geen gesprek, geen hospitaliseerders. Nee, juist gisteravond toen we gedrieën – het was net half tien ’s avonds – aan de gang waren met die banden, kwam de ‘baas’ binnen, een 70’er, en die begon me toch te blazen naar ons van ‘stil zijn’ etc. etc. Niet normaal. Alleen maar bozigheid. We negeerden het straal, al zijn we wel direct opgehouden en stelden we alles uit tot morgenochtend.
Ach, en toen moest ik natuurlijk nog mijn dagverhaal schrijven. Ik zocht een hoekje op en was nog ’n uurtje in de weer terwijl iedereen op één oor lag.
Goed, heb ik nu ’t probleem opgelost of niet? Waar ben ik aan toe? We gaan potdorie een hoge berg op; ik had nog niet eens in de gaten hoé hoog en hoé zwaar ’t zou gaan worden. Wat moet ik dan met een lekke band en geen oplossingen meer in de buurt?
Enerzijds lijkt alles een gok, doch anderzijds kun je de situatie rationaliseren: geen doorn gevonden, band geplakt, vooruit met de geit…
Om 9 uur vertrokken we, Luca en ik. Luca had ook z’n band geplakt en voelde zich verder prima. Bovendien is hij qua karakter een stuk relaxter dan ik. Of is ’t jeugdig onbenul, dat kan en mag ook. In iedereen geval laat hij graag weten, dat hij toch ’t liefste juist buiten z’n comfort zone is, dat ’t hem daarom ook juist draait, deze weken voor hem met de Camino Fransès. Wolfgang was al vertrokken, hij neemt de Komoot-route van ‘Tobias’, gewoon een jongen die eigen routes deelt op Komoot, vooral voor mountainbikers. Hij gaat altijd wat ‘off track’.
Zo reden we door Villafranca heen en aan de andere kant de rivier over. Een blauwe lucht komt eraan, dat is duidelijk, maar vooralsnog is het steenkoud en zijn er allemaal ochtendmistflarden. Aangenaam is ’t nog niet, maar wel veelbelovend. We rijden door een smal dal, waardoorheen zich de oude weg meandert, maar daarnaast, soms daarboven, soms daaronder ook de snelweg van Madrid naar A Corona. We passeren veel camino-wandelaars en komen door kleine oude dorpjes, waar albergues zijn en andere tentjes voor de wandelaars. Vlak voordat we aan onze dikke beklimming beginnen nemen we nog even een koffie bij zo’n tentje.
En dan begint het. Een klim van in ieder geval zo’n 12 kilometer lang en met 725 hoogtemeters. Er zitten flinke stukken tussen met 10% klimmen. Dus: naar boven maar en rustig blijven. Al na een kilometer maak ik een schakelfout en ligt de ketting eraf. Ik laat me even helpen door een wandelaar en kan weer verder, mezelf bedenkend: zo weinig mogelijk schakelen, alles op ’t kleinste verzet, eventueel dan ook maar ook als er even wat minder verhang is.
Goede raad is waardevol, zelfs als ’t je eigen raad is.
Zo gaan we langzaam vooruit. Luca meest een klein stukje achter me. Hij zwalkt van links naar rechts over de weg juist om zo minder steilheid te ervaren. Nee, zwalken is het niet, het gaat heel langzaam, maar hij is ook heel relaxt. Hij heeft er zelfs een Italiaans muziekje bij aangezet op z’n telefoon.
Ik ga er soms even een paar minuten af, even bijkomen, en dan weer verder. Op een bepaald moment begint m’n Wahoo te piepen, wil dat ik ergens linksaf ga, maar… er is daar helemaal niks. Luca zegt: nee hoor, we gaan goed, kijk maar. En hij laat me zijn schermpje zien. Nou, OK dan. En zo weer verder, maar helaas niet meer op m’n Sweerman-route. En wat blijkt dan geleidelijk: we krijgen onwijs veel lange stukken met 10 tot soms wel 14 procent omhoog klimmen!
God zeg, dit is echt ongehoord!! En we gaan maar door; er is niet zoveel aan te veranderen. Ik weet zéker dat de Sweerman-route minder heftig was, maar ja…
Goed, je kruipt in jezelf en in je traagheid en je kijkt om je heen en je weet: gottegot, wat is dit ook eigenlijk allemaal mega-mooi. Wat een wereld, wat een tegenstelling tot dagelijkse normaliteiten. Laat ik toch vooral hier ‘zijn’ en dit beleven in plaats van het gewoon een ‘lastige klus’ te vinden. Af en toe van de fiets, een paar minuten bijkomen, en een foto maken, en weer verder. Wetend: straks is dit ook gewoon voorbij en kijk ik erop terug. En dan al beleven, dat je weet welk gevoel dát zal geven.
En wat is een uur, of twee, op een mensenleven?…
Op zo’n 150 meter klimmen (hoogtemeters) van de top is er een boerderijtje met een drinklokaaltje erbij. Daar zitten we even neer en neem ik nog een koffie. Ik klets er bij met een paar Nederlandse camino-wandelaars. De boerin en een zoon leiden een kleine kudde koeien met bellen door het straatje langs het terras. Het uitzicht naar beneden is al prachtig; het zicht op wat je allemaal al geklommen hebt!!
En dan komen we boven bij O Cobreiro. Een magisch plekje met een 20-tal stokoude huisjes en een kerkje. En natuurlijk een eettentje en een albergue. Ineens kijken we ook uit over het andere dal.
Ik ben even helemaal vol van alles. Made it to the top! Ge-wel-dig!
En inmiddels is ’t natuurlijk ook heerlijk weer geworden. Blauwe lucht en de kou is verdwenen. We hebben dan op de bergkam nog wat meters voor klimmen en dalen en treffen Wolfgang weer op een andere top bij een monumentje van een verwaaide pelgrim. We doen met z’n drieën nog een paar kilometer en komen dan op de pas aan, van waaruit de grote afdaling begint.
Er is een terras in de zon en we nemen een cola en een stuk empenade met tonijn en met gehakt. Ook hier heeft ’t helemaal de sfeer van de skihut in de Alpen.
Dan gaan we de afdaling doen, Luca en ik. Wolfgang gaat het bos weer in. Die afdaling is een heel bijzonder feest. We zijn op de top Galicië ingereden en krijgen uitzichten voorgeschoteld die bijna bovenaards mooi zijn. Het is echt gruwelijk bijzonder allemaal, bijna onwerkelijk, iets van Lord of the Rings of zo. En daar scheur je doorheen op je eigen fietsje, wel met de hand goed bij de remmen. Ik heb geen zin in ongelukken. Geleidelijk raken m’n gedachten steeds verder verwijderd van zorgen om m’n achterband. Verdorie, die houdt ’t gewoon goed! Ongelooflijk. Ook al denk ik wel, dat ik extra energie gebruik, want ‘m niet zo hard opgepompt heb gekregen als met een luchtmachientje van een fietsenmaker.
De afdaling gaat omlaag helemaal naar Triacastela, diep in het dal. Daarna rijden we nog zo’n 24 kilometer door dat dal, soms dalend, maar soms ook sterk stijgend. Na de zware beklimming zat ik op 950 hoogtemeters, maar bij onze finish in Sarria waren ’t er bijna 1400. En dat op ‘slechts’ 79 kilometer.
Het dal is ook mooi. We rijden vooral door bos langs een rivierstroom. In het dorp Samos treffen we nog een megagroot oud klooster. En dan is daar Sarria. In eerste instantie een oninteressant grote plaats, flats ook. Maar het oude stadje ligt er een stukje boven en vlak voor de trappen naar de oude stad vinden we een gezellige albergue. Een uurtje later komt Wolfgang daar ook aan.
En zo is alles weer op z’n plaats gekomen, vandaag. Heel blij mee.
Nadat we met z’n drieën gegeten hebben, lekkere pasta van Luca – eerst met z’n drieën boodschappen gedaan – ben ik nog even met Wolfgang ’t oude stadje ingelopen. Ook met als doel nog even ergens een stempel op te duiken, want ik weet inmiddels: deze laatste 200 kilometer moet ik er minimaal 2 per dag hebben, wat anders krijg ik m’n ‘Compostolaat’ niet. Nou kan ik wel wegwuivend doen over zoiets, maar het minste dat ik me dan kan/moet realiseren, dat is dat ik dan de stempels allemaal voor niks heb opgehaald.
Inmiddels is me duidelijk geworden, dat er weliswaar morgen niet meer zo’n helse klim als van vandaag op ’t program staat, doch dat er toch heel wat klimmeters gemaakt moeten worden. Vast wel weer zo’n 1000. Dus morgen nog even aanpoten. Gelukkig zijn ook de weersvooruitzichten weer prima. En daarna dan nog maar ’n korte etappe. Best moeilijk om ’t voor te stellen, dat ’t einde écht in zicht komt!!
- Terug naar Santiago de Compostela – by bike
- Terug naar 25e etappe (vorige pagina)
- Verder naar 27e etappe (volgende pagina)
