Fietsen naar Santiago de Compostela – 5e etappe

Cambrai, 7 september 2024, 19.30pm

Een ‘steak de cheval’ opgepeuzeld, met friet en salade erbij. Volgens de ‘Formule de chef’ een topaanbieding, met ook nog een glas wijn en een koffie (straks nog) erbij. In ‘Le Pelican’ aan het centrale stadsplein in Cambrai. Volgens de Buienradar gaat ’t zo ongeveer nú voor een paar uren lang keihard regenen, maar vooralsnog lijk ik de enige te zijn, die hiermee bezig is; het terras (hoewel onder de parasols) zit nog vol. En het is nog droog. Fenny zou me weer uitlachen: Niko met z’n Buienradar…

Om ’n uur of 5 twijfelde ik nog wel even: zal ik de stad beter bekijken en hier blijven? Of zal ik gewoon nog 20 kilometer extra doen? Gebleven dus. Met ruim 120 km op de teller. Op een terrasje een blond biertje genomen en even op zoek gegaan naar een adres. Dat er regen aan zat te komen, dat wist ik wel; daarom maar geen tent opzetten. 

Vrienden op de Fiets biedt hier niet meer zoveel soelaas, maar Airbnb bood een plekje aan voor vier tientjes.

Tja, kun je zien wat je daarvoor krijgt. Zo’n totaal onpersoonlijk arrangement. Een oud huis totaal van binnen in het honderd gedraaid met kruipdoorsluipdoortrappetjes om zo efficiënt mogelijk zoveel mogelijk appartementjes te kunnen aanbieden. Alles met alleen maar tekstberichten en sleutelcodes. Maar het is onzin om te klagen, als je zo weinig wilt uitgeven: bij elkaar 42 euro, inclusief 10 euro schoonmaak en 6 euro aan belastingen. Idioot eigenlijk. Maar ik heb er een privé-plekje en zal er lekker slapen. No worries.

Cambrai dus. Heeft vroeger in Nederlands taalgebied gelegen met de naam Kamerijk. Een oude bisschopsstad. Oude stadspoort, een belfort, oude Gotische kerken. ’t Is niet niks, maar toch: het heeft alles bij elkaar maar weinig uitstraling, vind ik. Doornik veel bijzonderder.

Goed, even terug naar vanmorgen.
Regelmatig wakker in m’n caravan. Ben zelfs midden in de nacht nog maar wat gaan liggen lezen. Het heeft wel wat, zo’n ‘cocon’-gevoel, in je allenigheid in een caravan op bed. Het was belachelijk nat hoewel ik gewoon duizend sterren kon zien, heel raar, alles werd kleddernat, niet zomaar dauw, maar driedubbeldwarsdauw, alsof je water ademde.

Om zeven uur was ik al in de boerderij voor m’n sanitair en direct maar even ’t ontbijt. Wel gek hoor, gewoon alle kastjes opentrekken en zo. Maar ja, dat is wat Hans me had opgedragen. Ik zat lekker te schransen toen hij ook nog zelf ten tonele verscheen. Nog weer leuke gesprekjes, vooral over die merkwaardige twist in Belgenland, met twee zo totaal verschillende culturen (en talen) in één landje. Ach nee, Duits er zelfs ook nog bij…
Hans vertelde over hoe hier in Wallonië echt nog de oude mores leven van: regel het gewoon met de burgemeester. Die zegt dan wel: bouw dat schuurtje heel snel, in een week of zo, dan kraait er geen haan naar en dan is ’t gewoon al gebeurd, dan zien we daarna wel weer. 

Wat wij ‘modernen’ klinklaar corruptie noemen, dan vinden zij gewoon het beste, snelste, handigste.
Tja, ik weet ook wel, dat ’t in veel gevallen zo inderdaad veel makkelijker en lekkerder werkt, maar ja: ’t hoort niet. Zo kijken zij weer meewarig naar de Vlamingen, en al helemaal naar de Hollanders. Want wij vinden de Vlamingen ook al halve Walen, zogezegd, want o, o, wat is ’t ook in Vlaanderen een liederlijk zooitje, eigenlijk, die ruimtelijke inrichting. Geweldig leuk verblijf bij Hans. Ook weer een plekje om nog eens terug te komen. Maar ja, waarom en wanneer?

Om half negen reed ik Lessine binnen, het stadje een kilometer of 4 van Ghoy. Zaterdagmorgen, de markt werd opgebouwd, er was al wat reuring. Ik fiets verder.
Het wordt nu heel anders. Geen spoorbaan, geen rivier, nee, nu gewoon de heuvels in. Tientallen kilometers stijgen en dalen door de glooiende velden met gras en koeien, maar ook veel mais en veel land al kaal, want geoogst. Enerzijds is ’t hier fijn fietsen en is ’t land ‘mooi’, maar toch… ook saai. En de stukken stijgen lijken altijd veel langer dan de stukken dalen. Ik kom door kleine dorpjes, maar geen ervan straalt iets uit.

Na zo’n 40 kilometer kom ik eindelijk aan bij Doornik. Of Tournai in het Frans, en op de borden. Doornik is samen met  Tongeren de oudste stad van België. Ik denk dat veel Hollanders er nooit geweest zijn. Moesten ze toch maar eens doen, want het oude centrum is heel bijzonder.
Op deze zaterdagmorgen was er iets gaande. Volgens mij heeft ’t maken met dat 80 jaar geleden hier in de streek de geallieerden voor het eerst delen van België bevrijdden van de Duitse bezetting. Op het plein allemaal legerjeeps en zelfs enige tanks. En natuurlijk een flink fanfarecorps. Ik laveer er met m’n fietsje tussendoor en pak een tafeltje op een terras. Cappuccino.

Tegenover de gigantische kathedraal met Romaanse torens en Gotische uitbouw is de VVV en als ik binnenkom, helm nog op, staat de dame al klaar met de stempel. Da’s m’n tweede! Toch leuk om af en toe een stempel te halen.

Na Tournai kan ik 15 kilometer lang een kanaal naar het zuiden volgen. Dat fietst lekkerder dan heuvel op, heuvel af. Maar ik dwaal weer af van het water, de heuvels in, waar ik nu dicht bij de Franse grens kom.

Het grensgebied is niks bijzonders en de grens zelf al helemaal niet. Het voormalige grenskantoorgebouw staat te koop en een ceremonieel grenshokje is voorzien van een bronzen beeld met een verstilde grenswachter. Geen borden met ‘Frankrijk’ of ‘België’, niks van dat al. Alleen maar iets op het asfalt dat zegt, dat je nu in ‘Departement du Nord’ bent.
Lang leve Europa!

In het dorpje Sameon, zes kilometer verderop, eindigt mijn GPX-route, kan ik de volgende installeren. Daar eerst maar eens kijken hoe ’t ervoor staat. Op de grens had ik er 65 km op zitten. Ga ik door naar Cambrai dan komt er nog wel bijna 60 bij. Maar ik weet ook: ’s middags kom ik in de ‘doorfietsen-flow’, dan gaat ’t verstand op nul.

En zo werkte ’t ook. Ik heb in al die kilometers nauwelijks wat bijzonders gezien. Soms even flink in de klim-mood; ook op m’n Wahoo wordt ’t zo aangegeven: je start een klim en de computer zegt hoelang en hoever je nog moet klimmen. ’t Werkt wel lekker, moet ik zeggen. Het wordt hier geleidelijk het Picardië, dat ik nog voor ogen heb van m’n eertijdse fietstocht naar Parijs. Eindeloos langzaam klimmen en dan weer ontspannen dalen, graanvelden om je heen, in de verte her en der de potloodpunten van de dorpskerken.

Aangezien ik eigenlijk alleen in Doornik maar écht gepauzeerd had, schoot ’t allemaal erg lekker op. Voor vier uur passeerde ik het bordje Cambrai. M’n fiets was al de hele dag flink geluid aan ’t maken; gisteren veel door de modder gefietst; het voelt alsof ik m’n paardje mishandel. Ik wil even wat derailleurolie hebben. Dus eerst even een fietsenmaker opgezocht. Daarna m’n Airbnb-adresje geregeld. En nu krijg ik nog een kopje koffie, is ’t echt begonnen met regenen.

Zo maar eens kijken, wat er voor morgen op de planning kan komen te staan. Ik dacht: eerst Saint Quentin en dan Compiègne, dus nog 2 dagen tot Compiègne, maar wellicht gaat ’t sneller (of langzamer)…