Fietsen naar Santiago de Compostela – epiloog II

Santiago, 2 oktober 2024, 20.00pm

Toen ik maandag in Santiago de Compostela aankwam, was de weersverandering al in aantocht. Het was nat en mistig, maar nog zonder dat ’t echt regende.
’s Middags toen al aan de gang met alle regelarij. Hoe weer naar huis? Wanneer? Wat doe ik met de bagage? Wat met de fiets?

Dinsdagmorgen had ik zo’n beetje álles voor elkaar. Bovendien zat ik (samen met Wolfgang) in een echt perfecte albergue, slechts 100 meter vanaf het plein met de kathedraal. En 50 meter vanaf het postkantoor waar een daadkrachtige en vriendelijke jongen me met álles hielp, zelfs met het demonteren van de fiets, zodat-ie in een grote opstuurdoos kon worden ingepakt. En ook 100 meter vanaf het Compostolaat, het grote bureau waar alle peregrino’s (pelgrims) zich verzamelen voor het certificaat, en waar zich ook de ‘huiskamer’ bevindt van het Nederlands Santiago-genootschap.

Maandag ’s middags ook al, toen zelfs nog even met Luca, maar vooral dinsdag: Santiago verkennen. Lastigheid dus: de regen.

Ik scoorde toch maar snel alvast even een paraplu en tevens een kleine reistas, want alle fietstassen ook in een grote doos voor verzending; dat is veel te onhandig als vliegtuigbagage om zelf mee te nemen (met ook tent, etc.).

Santiago is als het regent eigenlijk totaal geen fijne stad. Alle stokoude gebouwen zijn én stoer en massief én ook nog eens heel donkerbruin. En als ’t dan maar regent en regent, nee, geen vrolijke stad. Het grote rechthoekige plein voor de kathedraal is altijd in beroering: hier komen alle pelgrims aan, maken foto’s van elkaar. Een apart sfeertje, vrolijk, maar toch ook ingetogen.

Ik wandelde dinsdag wat uren door de stad, maar bedacht me geleidelijk steeds meer: hier moet ik toch nog maar een keertje terugkomen, met ander weer, om er een ander gevoel bij te krijgen. Ik heb het pelgrimsmuseum opgezocht, nog even wat meer geleerd over de geschiedenis en de mystiek van de Camino de Santiago – zoveel indrukwekkender en ‘dieper’ dan ik voorheen zelf dacht (maar dat heb ik al meerdere keren laten blijken in m’n teksten). En natuurlijk: de kathedraal. ’s Morgens liep ik er binnen toen er een mis bezig was. Ik heb dat 20 minuten volgehouden, vind dat best knap van mezelf. Wolfgang was er ’s avonds toen de hele kerk vol zat, want bij die mis doen ze dat slingeren van dat wierookvat door de grote kerk. 

Dat is iets specifieks symbolisch; daar wil iedereen bij zijn. Ik heb dat dus maar gelaten voor wat ’t is. Ging wel ’s middags gewoon een bezoek aan de grote kathedraal besteden. Kan daar eigenlijk weinig anders over vertellen dan gebruikelijk. Er blinkt weer veel goud. En het is veel, groot, oud… indrukwekkend dus.

’s Avonds veel geklets in de albergue met andere pelgrims, elke dag weer andere, al mag je in de albergue in Santiago zelf tot maximaal 3 nachten blijven.

En gisteravond toch maar geregeld om vandaag, woensdag, een excursie te doen, een bustour naar Muxia en Finisterre, dat letterlijk ‘het einde van de wereld’ betekent. Al in de middeleeuwen gingen er veel pelgrims na Santiago bereikt te hebben de laatste 100 kilometer naar de kust, het einde van de wereld, ook nog te doen. Dat was allemaal nog lang voor Copernicus. Men dacht toen echt nog dat er hierna verder helemaal niks was.

 

Maar ja, voor vandaag stond nog méér regenwater op God’s verlanglijstje (en hij koopt z’n eigen cadeautjes) dan voor gisteren: meer dan 30 millimeter!

Toch had ik er heus wel zin in. Sowieso zou ik écht geen zin meer gehad hebben in nog meer regenzwalken door de stad en geklets met vertrekkende en aankomende peregrino’s.

En zo werd ’t een dag die redelijk dichtbij de verwachtingen, hoe geminimaliseerd ook, is gebleven. Ik trok vanmorgen een sprintje naar de aankomende bus en regelde zo, dat Wolfgang en ik helemaal voorin zat, vol uitzicht op alles. Superfijn.

Eerst langs een prachtig oud dorpje met een 1000 jaar oude brug, op de camino-route; die brug is dus toén al gebouwd voor de pelgrims.

Daarna naar de kust. In Muxia bij een kerk pal boven de branding, vuurtorentje ernaast. Wind en regen. Maar wel spectaculair. Dan Finisterre, een stukje zuidelijk. Dat was even een rare miskleun. De rots gaat ver de zee in. We hoorden zee aan twee kanten, maar… we zagen de zee niet! Domweg door stikdikke mist terwijl ’t regent. Echt stom!

We reden daarna naar een ander dorpje langs de (vast en zeker) prachtige kronkelende kustweg, op de rotsen boven de zee. 

We werden anderhalf uur gedropt voor een lekkere lunch; zelf maar kiezen welk restaurantje in Louro.

We krijgen de grootste horreo van heel Galicië te zien. Horreo’s zijn een soort van smalle graanschuurtjes op pilaren. Ze zijn allemaal zo’n 250 jaar oud; je ziet er heel veel, ze mogen van de overheid niet afgebroken worden. Ze zijn nogal uniek, komen alleen in Galicië voor.

En dan was er nog een waterval. En nog wat… Maar we werden de hele tijd maar kleddernat, keken even, dan gauw weer terug naar de bus. Overigens was die zeebaars die ik in Loura at, aan de haven, hartstikke lekker. En was ’t ook gewoon gezellig met Wolfgang. En vertelde Lucia, de gids, interessante verhalen.

Dit stuk kust wordt wel de ‘kust van de dood’ genoemd, en dat slaat op 2 gebeurtenissen. Ten eerste het vergaan van een Engels schip in 1890, met 200 doden. Ten tweede de olieramp in 2002, de Prestige, die hier op de rotsen liep en honderden kilometers kust onder de olie achter liet. Op een heuveltje bij de zee bij Muxia staat een klein monument, dat speciaal is opgericht ter ere van de duizenden vrijwilligers die toen hebben geholpen de boel weer schoon te maken.

Om zes uur waren we weer terug in Santiago, nog een paar boodschapjes gedaan voor de avond, paar biertjes erbij.

En nu is ’t half negen. Vicky, een Engelse die morgen ook naar huis gaat, heeft een taxi voor ons samen geregeld, morgenochtend om 4.45. Om 7 uur vertrekt het vliegtuig van Vueling naar Amsterdam.

Dit is ’t wel.

Het einde van de trip. De verwerking kan beginnen. De eerste tijd zal-ie nogal aanwezig zijn, maar deze verwerking zal altijd wel door blijven gaan, een variant op een nooit aflatende, altijd sluimerende binnenpret. Maar onwijs veel zin om weer naar huis te gaan!!
Hoewel het nu nergens op slaat, wil ik toch maar eindigen met de groet, die iedereen hier elkaar toeslingert, tig keer dagelijks; de groet die ik ook op de fiets en in de steden en stadjes honderden keren heb gebracht: buen camino!

== // ==